Rekenen

Ongelijknamige breuken groter dan 1 van elkaar aftrekken (plus niveau)

Ongelijknamige breuken bestaan uit delen die niet even groot zijn.

De noemers zijn niet gelijk.

 
Voorbeeldsom

 

Ongelijknamige breuken kun je niet zomaar van elkaar aftrekken.

In het stappenplan hieronder lees je hoe je ongelijknamige breuken die groter zijn dan 1 van elkaar af kunt trekken.

 

 
Ongelijknamige breuken groter dan 1 aftrekken
1a
Maak de breuken gelijknamig
 

Ongelijknamige breuken moet je eerst gelijknamig maken.

De noemers worden dan gelijk.

In stap 1b wordt kort uitgelegd hoe je deze breuken gelijknamig kunt maken.

Vind je dit nog lastig? Lees dan nog eens het artikel door over hoe je breuken gelijknamig kunt maken.

1b
 

Deze breuken gelijknamig maken:

  • Noemer x noemer: 3 x 5 = 15. De breuken worden "vijftienden".
  • Noemer x teller: 3 x 4 = 12.   45  is nu gelijk aan   1215 .
  • Noemer x teller: 5 x 2 = 10.   23  is nu gelijk aan   1015 .

Hieronder kun je zien hoe de breuken eruit zien na het gelijknamig maken.

2
Trek de hele getallen van elkaar af
 

Als je de breuken gelijknamig hebt gemaakt, trek je de hele getallen van elkaar af.

3
Trek de breuken van elkaar af ( inwisselen )
 

Trek daarna de breuken van elkaar af.

Je hoeft alleen maar de tellers van elkaar af te trekken. De noemers blijven gelijk.

Je ziet dat   1015  kleiner is dan  1215 . Kun je ze dan wel van elkaar aftrekken?


Dit kan door de hele getallen in te wisselen voor breuken.

1 hele =  1515 .

8 helen =  8  x  1515  =  12015 .

4 helen =  4  x  1515  =  6015 .

 

Tel  dan  12015  en 1015  bij elkaar op en  6015  en  1215.

4
Reken de som uit
 

Je hebt de hele getallen nu ingewisseld voor breuken. 

Hierdoor kun je de som nu uitrekenen. Denk aan het vereenvoudigen.

 

Vereenvoudigen

Kijk bij een breuk altijd of je de uitkomst nog kunt vereenvoudigen.

Haal de helen uit de breuk en maak de breuk zo klein mogelijk.

Dan kom je altijd tot het juiste antwoord.

 


Online oefenen met dit onderwerp

5
5
4
4